Non Fides - Base de données anarchistes

« O gentilshommes, la vie est courte, si nous vivons, nous vivons pour marcher sur la tête des rois. »

Homepagina > Other langages / Otros idiomas / Altri idiomi / Andere Sprachen... > In het Nederlands > Aan de oorsprong van de macht – mythe, staat, onvrijwillige vereniging

Aan de oorsprong van de macht – mythe, staat, onvrijwillige vereniging

maandag 3 februari 2014

Alle versies van dit artikel: [français] [italiano] [Nederlands]

"Ik hou niet van het ene volk of het andere, ik hou enkel van mijn vrienden.”
Hannah Arendt

Een mythe is een verhaal dat iets wil uitleggen en vooral de basis wil zijn voor een gemeenschappelijke sociale praktijk. Een mythe kan oorspronkelijk een mondelinge overlevering zijn die een uitleg geeft aan bepaalde fundamentele aspecten van de wereld en de samenleving die deze mythes gesmeed heeft of waarbinnen deze de ronde doen. De mythe kan ook bestaan uit veelsoortige stukken die aaneengenaaid worden door groepen die vastberaden van plan zijn de mythe in hun voordeel te gebruiken. De mythe wil per definitie iets grondvesten. Hij grondvest religies, naties, volkeren, identiteiten. We gaan hier uit van het evidente feit dat de mythe, zoals de religie, een instrument van onderdrukking en zelfonderdrukking is. Dat de mythe een instrument van verknechting is aan valse utopieën die enkel minderheden, of in het geval van het utopisch democratisme, ook meerderheden dienen, om een overheersing te schragen met een welgekomen sokkel van adhesie. Het feit van het regeren is onlosmakelijk verbonden met de mythe en het creëren van een verbeeldingswereld. De materialistische analyse van Marx – die in de menselijke geschiedenis enkel de economische verhoudingen wil zien waar ook dromen, geloofsopvattingen, mythen en ideologieën meespelen – lijkt een beetje licht als men naast de graankoersen ook de ideeëngeschiedenis en de relaties tussen individuen en tussen groepen individuen in rekening brengt.

Er zijn vele voorbeelden. De meest brutale en absolute moderne totalitaire systemen die de eerste helft van de voorbije eeuw teisterden, waren allemaal gebaseerd op een verbeeldingswereld en sokkels van gemeenschappelijke opvattingen: het bestaan van raciale onderscheiden in de menselijke soort en een hiërarchie ertussen, de noodzaak van een übermens om de kudde van de zwakkelingen te leiden, het verlangen om terug te keren naar een imaginaire mythische toestand (de Romeinse beschaving, Magna Germania, etc.). Of het ontkennen van de verschillen tussen individuen dat leidt tot een gedwongen eenheid in de vorm van een ingebeelde massa die de totaliteit omvat en andere grondvestende mythen.

De natie zelf, waarvoor het bloed altijd rijkelijk vloeide in naam van belangen die niet die van individuen zijn, is niets anders dan het product van een nuttige verbeeldingswereld en een assemblage van disparate mythen. Soms zijn de scheppers van nationalismen zelfs bereid dat toe te geven, en boeten daar geen kracht bij in. Het valt de facto niet te ontkennen dat geen enkel nationalisme gebaseerd is op iets anders dan mythen en foutieve opvattingen over de geschiedenis. Het concept natie is nauw verwant aan het concept volk, dat op zijn beurt een concept is om mensen te mobiliseren dat uitgaat van simplistische interpretaties van de geschiedenis. De natie en het volk worden verondersteld de ganse pseudo-realiteit van een menselijke gemeenschap binnen zijn geografische limieten te bestrijken (soms fluctuerend in de loop van de geschiedenis). Het bewustzijn tot éénzelfde groep te behoren wordt verondersteld het gemeenschappelijke kenmerk van die natie te zijn. Maar welk gemeenschappelijk toebehoren bestond er historisch tussen Picarden, Kelten en Germanen, die al dan niet met fysieke macht onder het juk van de zeer conceptuele Franse natie en haar staat gebracht zijn? Geen enkel behalve een eigenschap mens te zijn die ook de Australische Aboriginal bezit. Het is dus via de mythe dat men al dromend concepten als natie of volk kan smeden. De facto behoren we tot een natie zoals we toebehoren aan een religie, men is Frans zoals men katholiek of moslim is, dwz. door toedoen van de beschavende domesticatie.

Niets in onze genen bindt ons aan een volk, een lap grond of een natie. Zoals Rudolf Rocker in 1937 schreef in Nationalisme en cultuur, is er geen staat die geen groepering is van verschillende bevolkingsgroepen die oorspronkelijk van verschillende afstamming en taal waren en samengesmeed werden in een enkele natie, enkel door dynastieke, economische en politieke belangen.

De nood aan de mythe is een constante in de geschiedenis van de mensheid. De mythe is intrinsiek aan alle machtsdynamieken en alle overheersing over bevolkingen, dwz. aan de politiek. Er zou geen nood zijn aan politiek als de mens niet de universele en aardse behoefte voelde om zich te groeperen. Maar hoe mensen te regeren zonder zelf te beslissen over de groeperingscriteria? De facto kiezen individuen in deze wereld elkaar niet, verenigen ze zich niet, maar worden ze verenigd. Dwz. ze hebben geen enkele macht over de criteria die gebruikt worden om hen onderling te verzamelen en hen te hergroeperen in een natie, een land, een volk of binnen de reeds gevestigde grenzen van een Staat.

Het kan zijn dat ik mij als individu dichter bij een “Quecha” persoon uit Peru betrokken voel dan bij mijn biologische broer. Het is echter alleszins ik niet die kies wat ik ben in de ogen van de macht: mijn identiteitskaart geeft aan dat ik inwoner van Frankrijk ben, dat mijn ogen een bepaalde kleur hebben en dat mijn moeders water brak op die plaats op aarde. Dat definieert mij, niet mijn creativiteit, niet mijn ideeën, niet mijn manier van leven en liefhebben. Wanneer men een persoon uitwijst die een grens is overgestoken zonder de nodige toelatingen wordt hij/zij teruggestuurd naar zijn land, als de diplomatische akkoorden tussen staten dat toestaan. Politie, rechters en andere ambtenaren die deze taak uitvoeren op de verschillende niveaus van de commandoketen stellen zich de vraag niet of het individu in kwestie (dat in feite geen individu is maar een lid van een grotere eenheid zoals een land) dit land identificeert als het zijne/hare. Of hij/zij er al iets meer beleefd heeft dan er geboren te zijn of er een stempel op een bureau gekregen heeft, is niet de vraag. Of zijn/haar hart hier of elders bij een dierbaar wezen ligt, komt niet in de vergelijking voor, aangezien zijn/haar geografische identiteit gesmeed wordt door een stempel en niet door de plaats waar zijn/haar hart gekozen heeft het anker uit te werpen.

Dit is precies de definitie van groepering in een wereld waar het samenleven gebaseerd is op het principe van autoriteit: afwezigheid van keuze, overwicht van de redenen van de staat op de redenen van het hart. De vrijheid is dus verbannen uit de verenigingsvormen die ons opgelegd worden nog voor we capabel zijn om onze eigen keuzes te maken. En als ik de brandstof voor het leven onder overheersing, het geld, niet bezit, kan ik me nooit volledig aan dit overheersingssysteem dat zelf ten dele gebaseerd is op geld onttrekken.

“Wanneer een vereniging zich gekristalliseerd heeft tot een samenleving, is zij opgehouden een vereniging te zijn, gezien de vereniging een continu proces van hervereniging is. Zij is een tot halt gebrachte, gestolde vereniging. (…) Zij is niet meer dan het kadaver van de vereniging: in één woord, zij is samenleving, gemeenschap geworden.”
Max Stirner, De enige en zijn eigendom, 1845.

Waarom zijn wij dus gegroepeerd, binnen imaginaire categorieën zoals natie, staat, volk of ethnie geparkeerd? Omdat men om te regeren moet weten wie men regeert. Men moet de contouren van een te overheersen domein afbakenen, en men moet geografische criteria vinden om dit domein af te bakenen en een mythologie creëren om de cohesie van deze geografische criteria die noodzakelijkerwijs irrationeel zijn te verzekeren. Hier speelt de mythe zijn mobiliserende rol door adhesie te creëren. Het is namelijk eenvoudiger een vorm van overheersing aan te hangen wanneer deze zich omhult met de sluier van de mythe dan wanneer het bloed van zijn zwaard druipt. De metafysische kracht van de mythe ligt in het feit dat de mythe meer dan enkel aanvaarding creëert maar ook een toebehoren en zelfs enthousiasme tot en met de zelfopoffering. De oorlogen tussen naties, ethnieën en religies overal ter wereld doorheen de geschiedenis zijn er getuige van.

We hebben dus gezien dat er ge(her)groepeerd moet worden om te overheersen en dat de mythe daarvoor nodig is. De kilste dictaturen die de moeite niet namen om zich de minste mythische sluier om te hangen, zijn nooit duurzaam gebleken. Elke staatsvorm heeft een vorm van religiositeit nodig om te blijven bestaan, een vergeestelijkte ontologische rechtvaardiging, aangezien puur geweld slechts korte tijd efficiënt kan zijn totdat de ondraaglijkheid van dit leven ontploft in het gezicht van de macht. De mythe dient net om het leven onder overheersing draaglijk te maken. Het hebben van een religie, een gemeenschap, een ideologie en andere artefacten om ons tot gemeenschap ipv. uniek te maken, laat toe een eenvoudige en comfortabele betekenis aan zijn/haar leven te geven. Het maakt mogelijk om er elke bijzonderheid van af te wassen, als een laffe manier om de absurditeit van de wereld en het levenspad te bezweren, dat we liever gemarkeerd en veilig zouden hebben dan vrij en gewaagd. Langs alle kanten van het spook van de overheersing, van de linker- tot de rechterzijde van de macht, hebben heersers belang deze mechanismen van denkbeeldig toebehoren te ontwikkelen, soms wordt de mythe zelfs gevaarlijk voor de heersende macht. Dan is het kwestie de vernietigende en demobiliserende effecten van de permanente oorlog die de staatsvorm noodzakelijkerwijs oplegt, af te zwakken.

George Sorel, de grote theoreticus van het revolutionaire syndicalisme die het marxisme in Frankrijk introduceerde en notoir voorloper van het fascisme was, theoretiseerde het belang van de mythe in de politiek en zijn mobiliserende rol, zonder dewelke geen enkele duurzame machtsgreep mogelijk is. Sorel kiest de mythe van de algemene staking uit te werken, hoewel hij zich er ten zeerste van bewust is (dat geeft hij zelf toe) dat deze er niet zal komen. Het doet er immers in de grond weinig toe of die er komt of niet, de algemene staking is het doel niet. Het echte doel van deze strategie is in realiteit niet de algemene staking maar de mobilisatie van een onkritische massa gelovigen die bereid zijn zich te offeren om zijn persoonlijke doeleinden te bereiken. Dat is niets anders dan de meest basale vorm van massamanipulatie, anders gezegd van politiek. Nog anders gezegd, betekent het mensen als idioten beschouwen, een efficiënte werkwijze als men de geschiedenis gelooft. De mobiliserende rol van de mythe bij Sorel – in het bijzonder die van de algemene staking – en de desintegrerende en regenererende rol van geweld hadden als enige doel het overnemen van de bestaande macht.

Dit werd door Sternhell het Franse fascisme genoemd werd en inspireerde kort nadien het verschillende Italiaanse fascisme dat wel aan de macht kwam. Het was één van de eerste moderne theorieën die laconiek toegaf dat het creëren van de mythe slechts een tactische inzet is met als enige doel de troepen te mobiliseren voor een greep naar de macht en het behoud ervan. Het is echter zeer zeker mogelijk dat de scheppers van de mythe er uiteindelijk zelf beginnen in te geloven,

Men sluit op, doodt, verminkt, liegt, overheerst, maar dat is acceptabel want het is voor een reden die ons te boven gaat. Deze hogere reden zelf maakt dit hondenleven aanvaardbaar; ten minste acceptabeler dan de absurditeit van de totale creativiteit en het achterlaten van enig vooraf gedefinieerd model. Zo komt men er toe om, via de omweg van het “sociaal contract” de controle over zijn/haar eigen leven over te leveren aan de Staat, zijn/haar lichaam aan een baas, zijn gezondheid aan een dokter, zijn individuele verantwoordelijkheid aan een rechter die ons beter zal beoordelen dan wijzelf.

Zonder grondvestende mythe is er geen sociaal contract. Er bestaat ook geen enkel duurzaam politiek systeem zonder een mythologie van opoffering om zijn voortbestaan en de aanhankelijkheid van de massa’s voor zijn dodelijk programma te garanderen. Zonder eenheid is er geen sociale cohesie en zonder mythe is er geen cohesie tussen personen die a priori geen enkel gemeenschappelijk belang hebben. Wat was het gemeenschappelijke belang van de grote industrieel en de soldaat die diende als kanonnenvlees in de loopgraven tijdens de grote slachtpartij van 14-18? Geen enkel behalve de mythische fictie van de bedreigde Franse natie. Hoe valt de Union Sacrée te verklaren behalve door de metafysische kracht van de mythe en het miraculeuze vermogen van de mythe om mensen te mobiliseren? Union Sacrée was de naam voor de politieke toenadering die Fransen van allerlei politieke of religieuze slag en van alle klassen aan elkaar smeedde toen de Eerste Wereldoorlog uitbrak.

President Poincaré gebruikte de term voor het eerst op 4 augustus 1914 in zijn speech aan de volksvertegenwoordiging. De unie werd meteen in de feiten bewezen toen alle linkse syndicale en politieke organisaties, vooral de CGT en de SFIO, zich achter de regering schaarden. Deze nationale unanimiteit duurde tot het einde van de oorlog, uitgezonderd enkele linkse of anarchistische dissidenten en al te zeldzame maar mooie muiterijen aan beide kanten. In alle oorlogvoerende staten, in Engeland, in Rusland en in Duitsland gebeurde iets gelijkaardigs. De Duitse socialistische partij (SPD) stemde voor oorlogsdeelname in 1914 en lanceerde de Burgfrieden. De Union Sacrée bevestigde Sorels fascistische stellingen over de mobiliserende rol van de mythe, in dit geval die van de bedreigde natie; en over de regenererende functie van het geweld, in dit geval de oorlog en zijn regenererende effecten op de economie en de eenheid van verschillende strekkingen tegen anderen.

“Laten ons verschrikkelijk wezen om het volk daarvan te ontslaan”
Danton, rede van 10 maart 1793.

Laten we die fameuze ideologie van het sociaal contract of het contractualisme wat van naderbij bekijken. Het contractualisme is een moderne stroming in de politieke filosofie die de oorsprong van de samenleving en van de staat situeert in een oorspronkelijk contract tussen de mensen. Met dit contract accepteren zij dat hun vrijheid ingeperkt wordt in ruil voor wetten die het voortbestaan van een gegeven samenleving verzekeren. Het sociaal contract veronderstelt een natuurtoestand die door dit contract verbroken wordt. Deze natuurtoestand is een toestand die bestond vóór enige georganiseerde samenleving. Deze natuurtoestand is geen reële toestand die aan de instelling van de wetten voorafgegaan zou zijn, maar een theoretische en hypothetische toestand waarin de mensheid in een wetteloze toestand verkeerde. Deze natuurtoestand bestond enkel in de hoofden van enkele theoretici maar ligt toch aan het begin van de moderne manier van regeren. Het verlaten van deze natuurtoestand die nochtans zeer hypothetisch – zeg maar onnozel- is, is de reden die ingeroepen wordt om de overdracht van de controle van elk individu over zijn eigen leven naar een grotere entiteit die gestructureerd is door een macht en wetten, anders gezegd een staat, te rechtvaardigen.

De theorie van het sociaal contract breekt met het politieke naturalisme van de antieke filosofen (platonisten en aristotelianen) en deed de notie van politieke, formele en materiële gelijkheid ontstaan. De voorbije eeuwen was het sociaal contract de grondvestende mythe van talrijke staatsvormen, van de Sovjet-Unie tot de parlementaire en kapitalistische democratieën van vandaag, zonder ooit garant te staan voor enige reële gelijkheid of zelfs een gelijkheid in ellende.

De denker Grotius die zich op de eerste rij van de juridische “wetenschap” en de staatsfilosofie situeert, was de eerste in de geschiedenis van de politieke filosofie die in de 17e eeuw het moderne sociale contract theoretiseerde. Het contractualisme werd hernomen en besproken door Kant, Fichte en Hegel. Zij wilden de “oorspronkelijke en radicale vrijheid van de mens” (Hegel) verzoenen met de staat en de sociale erkenning van individuen en groepen door die staat. De denkers die men vandaag kan aanwijzen als de theoretici bij uitstek van het contractualisme dat aan de oorsprong van onze huidige levenswijze ligt, zijn echter Hobbes en Rousseau (in mindere mate ook Locke).

Waarom deze maatschappij? Waarom de maatschappij? Waarom samenleven met mannen of vrouwen waarmee je niet per se wenst te leven en waarom je onderwerpen aan regels waarvoor je niet gekozen hebt je aan te onderwerpen? Vanaf de 17e eeuw beginnen deze kwesties de maatschappij in zinvolheidscrisis te teisteren. Op deze vragen kan je feitelijk onmogelijk antwoorden tenzij je doelbewust de mogelijkheid van een andere wereld gebaseerd op vrije vereniging van individuen volgens hun eigen criteria en zonder autoriteit boven hun hoofd doelbewust verbant.

Tegenover de mogelijke explosieve antwoorden op deze vragen die een explosie van iconoclastische activiteit en het verlaten van alle modellen van de oude wereld hadden kunnen veroorzaken, bouwden deze filosofen rigide kaders en ideologische structuren waarbinnen het onmogelijk was zich iets anders voor te stellen zonder meteen gebrandmerkt te worden als antimodern en tegen de richting van de onvermijdelijke vooruitgangsmars. Door deze manieren van denken, brachten zij hun eigen visie op wat centraal moet staan in de samenleving naar voor. Vereenvoudigend ging Rousseau zijn eigen weg en creëerde na hem een soort linkervleugel van het contractualisme. Hij stelde de sociale gelijkheid centraal in dit contract. Hobbes, voorloper van modern rechts, privilegieerde de veiligheid. Beiden vonden -onloochenbaar- dat mensen een stuk vrijheid moeten ruilen tegen een stuk gelijkheid bij de één of een stukje veiligheid bij de ander.

Beiden vertrekken dus van het principe dat de vrijheid deelbaar is, dat de vrijheid opgedeeld kan worden in kleine stukken en dat je een beetje vrijheid kan ruilen, zoals een tapijtenkoopman op de markt, tegen een beetje van iets anders. De vrijheid wordt dus gezien als iets kwantificeerbaars, meetbaars, deelbaars, gedeeltelijks.

Deze visie op vrijheid regeert vandaag, in de parlementen en in ieders hoofd, of hij nu parlementarist is, buitenparlementaire actie voorstaat of zelfs revolutionair is. De moderne mens deelt de vrijheid op in kleine stukjes en denkt de vrijheid in het meervoud eerder dan in het enkelvoud. Vrijheid van meningsuiting, vrijheid van vestiging, vrijheid van verplaatsing, vrijheid om te werken, vrijheid om niet te werken en de verschillende gerechtelijke afleidingen: rechten van de mens, recht op leven, kinderrechten, recht op wonen, arbeidsrecht, dierenrechten, vrouwenrechten, etc.

Zo geeft men aan de tegenstanders, revolutionair of niet, een been om op te knagen en handboeien om te verdedigen die de macht garanderen dat de tegenstanders braaf binnen de door de macht en de legaliteit vastgelegde contouren blijven. De tegenstanders blijven binnen de contouren van een strijd die afgelijnd is door de burgerij en overeengekomen is met de staat.

Welke macht zou graag massale bewegingen van opstandigheid zien ontstaan die niets – zelfs geen kruimel vrijheid – claimen, die het bestaan van die macht zelfs niet erkennen, geen dialoog met de macht aangaan maar die proberen vernietigen?

Volgens mij begint de strijd tegen elke autoriteit met de affirmatie van het individu als een ondeelbaar wezen, als een eenheid en niet als een deel van een geheel dat men in machtscategorieën kan ordenen. Deze strijd vergt een iconoclastisch denken en praktijk en moet als doel hebben alle mobiliserende mythen te vernietigen. Deze mythen laten de macht immers toe de mensheid te verdelen, op autoritaire manier te hergroeperen volgens criteria die niet die van het individu zijn, zoals staten, naties, ethnieën, religies en ideologieën. Deze strijd moet niet accepteren dat de vrijheid wordt opgedeeld in afgescheiden en tot handelswaar gemaakte categorieën. De vrijheid is geen werkwoord dat vervoegd, onderhandeld, gekocht of geruild wordt. De vrijheid is totaal en ondeelbaar of is niet, zoals het individu. Laten we nogmaals Stirner citeren: “De vrijheid kan enkel de hele vrijheid zijn; een stuk vrijheid is de vrijheid niet”.

De strijd tegen de autoriteit is de totale weigering van elke vorm van beheer van de mens en dus van elke vorm van politiek. We moeten ons van alle grondvestende mythen bevrijden om de sociale funderingen te vernietigen en de vrijheid te hervinden die slechts in het enkelvoud vervoegd kan worden.

Januari 2011

Aviv Etrebilal

[Translation : vrolijkevijandelijkheden.]